TERUGGEDACHT. Het tabaksveld voerde ons terug naar een stukje kinderarbeid waaraan we geen trauma's overhielden


Ja, wij zijn, in een ver verleden, ooit 'uitgeleverd' voor kinderarbeid. Niet door onze ouders, maar door onszelf dan nog wel. We moesten eraan denken toen we van de week op een avond,  na een bezoek aan ons moeder in het rust- en verzorgingstehuis, voorbij een tabaksveld reden. Dat vonden we vrij uitzonderlijk. Tabak zien we alleen nog bij onszelf en bij andere paria's, een tabaksveld, hier in de streek, dàt was nog uitzonderlijker. We vermoeden zelfs dat onze kinderen de tabaksplant niet eens meer kennen. Begrijpelijk, wat behalve maïs, aardappelen, bieten en een zuinig bemeten korenveld, telt ons landschap hoogstens nog wat prei- en spruitenakkers.
Een deel van het tabaksveld was leeggeplukt. De kale stengels gaven de akker een zwaar gehavend uitzicht, alsof er een storm was voorbij geraasd. Maar ernaast staan nog rijen en rijen tabaksplanten met hun typisch zwaar neerhangende bladeren.


TABAK NAAIEN

Het schoot ons te binnen, terwijl we het veld overschouwden, dat onze ouders meer dan eens op een van die zomeravonden dat ze met de buurt buiten zaten, verhalen opdisten die zich op het tabaksveld afspeelden. Dat was toen ze als prille tieners gingen 'tabak naaien' bij een boer in de buurt: de bladeren werden geplukt en op een naald met er achteraan een stevig touw gespiesd. Hoe sneller ze werkten, hoe meer er te verdienen viel.
Dat leek ons wel iets, zo'n veldwerk. Alleen, er viel geen tabak meer te plukken. Maar we hadden een alternatief: bonen plukken. Een aantal boeren had grote partijen korte prinsesseboontjes en daar trokken tijdens de vakantie hele horden op af om ze tegen betaling leeg te plukken. Moeilijk leek het niet - wie kan nu geen boontjes plukken - en er viel op zo'n akker ook wel iets te beleven, dachten we.
En dus waagden we het erop. We waren een jaar of tien, vermoeden wij. En het vooruitzicht om met veldwerk wat zakgeld te verdienen, maakte het nog aantrekkelijker. Ook al hadden we voor dat zakgeld niet eens een bestemming voor ogen. 


BOONTJES TREKKEN

Van de eerste stappen op het bonenveld was het ons al duidelijk dat er soorten plukkers waren. Er waren hele gezinnen die onder aanvoer van de pater familias tegen een hels tempo plukten. De jutezakken die ze vulden, konden zij stapelen. Tegen de middag hadden ze zo al een indrukwekkend veelvoud van wat wij hadden bijeen getrokken. Zij hadden ook speciaal daartoe getimmerde houten bankjes mee, anderen hadden vouwstoeltjes bij zich, terwijl wij simpelweg op onze knieën over het veld schoven. Merkelijk trager dan alle anderen. Er waren er wel meer zoals wij, voor wie het plukken allesbehalve een ernstige klus was.

Maar wij  keken vooral hoe anderen zoveel efficiënter boontjes trokken dan wij, we gaven commentaar en vermeiden ons hoe her en der kinderen ruzie aan het maken waren. Ze wilden vroeger eten dan hun 'aanvoerder' van plan was, ze dronken de fles leeg die hun broer of zus toebehoorde... Er was altijd wel ergens spel en miserie op het veld en dat vonden wij... leuk.
Tegen een uur of vijf in de vooravond kwamen boer en boerin de zakken met boontjes wegen en werden we uitbetaald. Hoeveel we hadden verdiend, weten we niet meer. Alleen dat we in munten werden betaald, de meeste anderen in bankbriefjes...

Al na een week hadden we het gehad. We konden geen boontjes meer zien - we aten ze ook met lange tanden - en hielden we het voor bekeken. De munten werden keurig aan onze ouders bezorgd bij gebrek aan een alternatieve bestemming - het leven was toen vrij goedkoop voor kinderen. Trauma's hebben we er niet aan overgehouden.

Reacties

Populaire posts van deze blog

GEZIEN. Over de tento Winkels van weleer in Winkel en over hoe ons geheugen als een fout afgestelde zeef werkt...