GEHOORD. Als de nachten weer spreken. Voor het eerst slapen met open vensters...

Nachten zwijgen zelden. Dat waren we vergeten. Maar zodra we met open vensters slapen en we niet langer doof op onze slaap wachten, spreekt de nacht weer. In een andere taal dan die van de dag. Niet alles van wat de nacht kwijt wil, begrijp ik.Veel van de nachtgeluiden is vaag en onbestemd, de nacht spreekt beneveld, in raadsels. en slechts een enkele keer duidelijker en nadrukkelijker dan de dag. op zo'n moment voelen we ons gelijk een helderhorende blinde.

HAANTJESGEDRAG

Vannacht, in het holst van de nacht, was er een verre haan die dacht dat hij het licht had gezien. Een nog verdere haan kraaide hem na, maar had al na een keer of twee door dat het hopeloos te vroeg was voor zo'n haantjesgedrag. Waarop de eerste haan het ook voor bekeken hield. Een les in haantjesgedrag om mee te nemen naar de dag: hanen blijven alleen kraaien als ze worden nagekraaid.

VELDFABRIEK

De wind waait uit het westen en voert een constant gegons van tractoren aan. Het is een log, zwaar gegons, vermoedelijk, denk ik, zijn ze aan het ploegen. In zware grond. Een enkele keer hoor ik zelfs het keren van de messen, vlak voor de motoren weer grommen en de messen in de voren trekken. Van een andere kant komt het zachte geloei van een mestkar die leeggutst. Het hele buitengebied zoemt als een fabriek. Ik beeld me de lichtbundels in waar tractoren en machines achteraan tuffen. En herinner mij hoe wij dat, op zomeravonden, naspeelden. We wachtten met het maaien van het gras in de tuin tot de duisternis inviel. De volwassenen zaten vooraan op straat, achteraan zochten wij loopkampen bijeen, hingen ze aan de grasmaaier en verbeeldden ons dat we met nachtelijke pikdorsers aan de slag waren.
  
GEDOKKER 

Twee auto's rijden richting noord-west. Op de macadamweg. De ene haalt de andere in, ik hoor het aan het gedokker over de voegen tussen de betonstroken. Op het asfalt - de andere weg door het dorp - ruisen de auto's. Er is er een die de rotonde verderop niet kent, hij remt bruusk en van de weeromstuit trekt hij daarna weer fel op. Een machorijder die een publiek vermoedt.

Niet zo veraf lacht een vrouw luidkeels en hees. De lach vergaat in rauw gehoest. Een mannenstem maant haar aan. Wat ze zeggen, versta ik niet. Er hangt teveel ruis erom heen. Komen ze dichter bij huis, de stemmen? Ik hoor geen geknerp van kiezelstenen, ze blijven uit de buurt. Ze zwijgen. Het portier van een wagen slaat dicht, maar het duurt een hele tijd voor de motor aanslaat en de auto rustig vertrekt.
De nacht leeft zijn eigen leven, we staan erbuiten, terwijl we er midden in zitten. Vreemd, denk ik en duizel langzaam weg. Laat ons hopen, richting ochtend.




Reacties

Populaire posts van deze blog

GEZIEN. Over de tento Winkels van weleer in Winkel en over hoe ons geheugen als een fout afgestelde zeef werkt...